|
Substantiation |
In een recente studie werden 3.256 patiënten met hormoonreceptor-positieve (HR+) en HER2-negatieve (HER2–) gevorderde borstkanker gevolgd op de aanwezigheid van ESR1-mutaties via circulerend tumor-DNA (ctDNA). Van de 315 gerandomiseerde patiënten die bij detectie van een ESR1-mutatie, maar nog vóór klinische progressie, overstapten naar camizestrant (n=157) of doorgingen met een aromataseremmer (AI) (n=158), had ongeveer 50% een ESR1-mutatie bij de eerste test.
De studieopzet is interessant, omdat patiënten zonder klinische progressie op basis van moleculaire progressie (het ontstaan van een ESR1-mutatie) al werden geswitcht naar een nieuwe endocriene therapie. De resultaten lieten een mediane progressievrije overleving (PFS) zien van 16,0 maanden voor camizestrant versus 9,2 maanden voor voortzetting van AI, met een hazard ratio van 0,44 (p<0,00001). De PFS-rate na 12 maanden was 60,7% voor camizestrant, vergeleken met 33,4% voor AI. Camizestrant in combinatie met CDK4/6-remmers werd over het algemeen goed verdragen, met lage stopzettingspercentages door bijwerkingen.
Deze data ondersteunen de verdere ontwikkeling van orale SERD’s, waaronder camizestrant en giredestrant, binnen de behandeling van HR+/HER2– gemetastaseerde borstkanker. Tegelijkertijd is de plaatsbepaling nog niet definitief. ESR1-mutaties zijn meestal niet initieel aanwezig, maar ontstaan vaak onder selectiedruk van endocriene therapie, met name aromataseremmers. Daardoor ligt toepassing van specifieke orale SERD’s vooral voor de hand na behandeling met een aromataseremmer, met name in de tweede of derde lijn, en minder als standaardbehandeling in de eerste lijn.
Voor de klinische praktijk zal uiteindelijk vooral de vraag relevant zijn of vroegtijdig switchen op basis van ctDNA-detectie van een ESR1-mutatie ook leidt tot verbetering van harde uitkomstmaten, zoals overall survival. Daarnaast zijn er meerdere orale SERD’s in ontwikkeling, waardoor onderlinge positionering, concurrentie en beschikbaarheid een rol zullen spelen. Ook zal de richtlijncommissie, zoals NABON, zich nog moeten buigen over de exacte plaats van deze middelen en over de vraag bij welke patiënten moleculaire monitoring met ctDNA standaard ingezet zou moeten worden.
Dit maakt de studie een belangrijke stap binnen precision medicine, maar verdere onderbouwing en richtlijnmatige plaatsbepaling zijn nodig voordat deze strategie breed in de klinische praktijk kan worden geïmplementeerd. |