|
Onderbouwing |
De registratie van tafasitamab in combinatie met lenalidomide en rituximab (TAFA-R2) is gebaseerd op de fase 3, dubbelblinde, placebogecontroleerde, gerandomiseerde inMIND-studie. In deze studie zijn de effectiviteit en veiligheid van TAFA-R2 vergeleken met lenalidomide en rituximab (R2) bij patiënten met R/R FL (graad 1–3a). In de inMIND-studie werd het primaire eindpunt bereikt, met een statistisch significante en klinisch relevante langere progressievrije overleving (PFS) in de TAFA-R2-groep ten opzichte van de placebo-R2-groep. Bij een mediane follow-up van 14,1 maanden bedroeg de mediane PFS 22,4 maanden voor TAFA-R2 versus 13,9 maanden voor placebo-R2. Dit komt overeen met een PFS-winst van 8,5 maanden (circa 37 weken) in het voordeel van TAFA-R2. De hazard ratio bedroeg 0,43 (95% BI: 0,32–0,58; p < 0,0001), hetgeen overeenkomt met een 57% lager risico op ziekteprogressie of overlijden. Deze uitkomst bleek consistent met de PFS-resultaten volgens onafhankelijke beoordeling (IRC): de geschatte HR voor TAFA-R2 versus placebo-R2 was 0,41 (95% BI: 0,29-0,56). De mPFS in de TAFA-R2-groep was nog niet bereikt bij de data cutoff (23 februari 2024), tegenover 16,0 maanden (95% BI: 13,9–21,1) in de placebo-R2-groep. De vooraf gedefinieerde futiliteitsanalyse van de OS met een mediane follow-up van 15,3 maanden en 38 sterfgevallen, suggereren een verschil tussen TAFA-R2 en placebo-R2 met een HR van 0,59 (95% BI: 0,31–1,13). De OS-resultaten zijn nog niet matuur en blijven zich ontwikkelen. Daarom dienen deze gege-vens met de nodige voorzichtigheid te worden geïnterpreteerd, binnen de context van deze in-dolente ziekte. Het PET-CR percentage bedroeg 49% in de TAFA-R2-groep vs. 40% in de placebo-R2-groep met een OR van 1,5 (95% BI 1,04–2,13; p=0,0286). De mediane TTNT werd in de TAFA-R2-groep nog niet bereikt, tegenover 28,8 maanden in de placebo-R2-groep, met een HR van 0,45 (95% BI 0,31–0,64; p<0,0001), wat duidt op een significant uitstel van noodzaak tot vervolgbehandeling. De kwaliteit van leven bleef vergelijkbaar tussen de behandelgroepen: toevoeging van TAFA aan R2 ging niet gepaard met een daling in patiënt-gerapporteerde uitkomsten (EQ-5D-5L, EORTC QLQ-C30, FACT-Lym).
Het veiligheidsprofiel van TAFA-R2 vertoont een grote mate van overeenkomst met dat van R2 bij de behandeling van patiënten met R/R FL. De incidentie van behandelingsgerelateerde bijwerkingen (TEAE’s) van graad 3–4 was nagenoeg gelijk tussen beide behandelgroepen: 71% van de patiënten in de TAFA-R2-groep en 70% in de placebo-R2-groep rapporteerde ten minste één dergelijke bijwerking.
Ook het percentage patiënten met ernstige TEAE’s was vergelijkbaar, met een lichte toename in de TAFA-R2-groep (36%) ten opzichte van de placebo-R2-groep (32%). Deze toename werd voornamelijk verklaard door een hogere frequentie van COVID-19-gerelateerde complicaties (waaronder COVID-19 en COVID-19-pneumonie), wat samenhangt met de pandemische context waarin de studie is uitgevoerd. De meeste bijwerkingen waren van voorbijgaande aard en goed te behandelen.
Belangrijk is dat de toevoeging van TAFA aan het R2-schema niet leidde tot een toename van fatale TEAE’s: in beide behandelarmen traden fatale bijwerkingen op bij 2% van de patiënten. (3, 4) |
|
Bronnen |
NCT04680052 (INCMOR 0208-301);
(1) Folliculair Lymfoom richtlijn dec 2023 (1); (2) Stevens, W.B.C., et al., Korte update van recente aanpassingen van de richtlijn Folliculair lymfoom. (3) NED TIJDSCHR HEMATOL, 2024. 21:357 -61; (4) Sehn et al. 2025. Tafasitamab, lenalidomide, and rituximab in relapsed or refractory follicular lymphoma (inMIND): a global, phase 3, randomised controlled trial. Published online December 5, 2025. https://doi.org/10.1016/S0140-6736(25)01778-7. |